Marcus Aurelius; 4, 49, blz 96
Arme ik, dat mij dat overkomen is.
Helemaal niet. Je moet juist zeggen: ik heb geluk dat ik, terwijl mij dit overkomen is, verder leef zonder dat ik eronder lijd, ongebroken door het heden en onbevreesd voor de toekomst.
Wat kan ik met dit geluk? Hoe kan ik mensen helpen met mijn unieke situatie?