Soms hebben we een vaag gevoel dat er nog iets is; in het ergste geval hebben we er helemaal geen taal voor, geen cognitieve representatie, ofwel er zit niets over in ons hoofd. Geen kenmerken, geen mogelijke associaties met andere ideeën, gebeurtenissen, gedragingen. We zijn, wat die dingen betreft, zo blanco als de tweedimensionale wezens in Edwin Abbots novelle Flatland (1884), die het driedimensionale concept van een bol niet begrijpen. We zijn op dat gebied hypocognitief.
Hypocognitie is niet altijd zonder gevolgen. Het kan leiden tot fouten in gebieden waarop mensen (nog) geen expert zijn, maar ook tot fundamenteel wederzijds onbegrip en misplaatst superioriteitsgevoel.
Mensen begrijpen ook vaak niet welke morele principes van belang zijn voor hun politieke tegenstanders. Daardoor blijven partijen langs elkaar heen praten, terwijl dat niet per se hoeft. Vaak hebben ze geen idee dat een andere groep mensen fundamenteel andere waarden kan hebben.
Er is zó veel wat we niet weten, en waarvan we niet weten dat we het niet weten. Natuurlijk, ieder mens heeft behoorlijk wat kennis, maar die verbleekt tegen het gehele landschap van mogelijk kenbare concepten. Het zou ons menselijke bestaan verrijken als we nog meer concepten tot onze beschikking hadden.
Dit is eigenlijk een pleidooi voor het scepsisme. Twijfel aan alles wat je waarneemt want er is altijd iets waarvan we geen weet hebben. Misschien denken we dat we het weten maar door hypocognitie hebben we geen weet van wat we niet weten dus is er altijd reden tot twijfel.