Wij zeggen dat wat in de ziel, in het lichaam en overal elders het neutrale zelf is – dus goed noch slecht – door de nabijheid van het slechte tot minnaar van het goede wordt.
Het neutrale wordt door de nabijheid van het slechte minnaar (vriend) van het goede.
Zie “Platoon”, boek III, ‘Lysis’, blz. 92