
“Wie studie beoefent, wordt dagelijks meer
Tau-Te-Tsjing, vers 48 (p. 150)
Wie de weg beoefent, wordt dagelijks minder.
Van minder wordt het minder, tot het komt tot daadloosheid.
Door daadloosheid is er niets dat niet wordt gedaan”
Men moet niet ingrijpen maar juist het niet-doen cultiveren, ‘Als niet-doen wordt gedaan, blijft niets ongedaan’: Wu wei. Dit betekent niet-intentioneel handelen. Juist door niets te doen kun je een nieuwe werkelijkheid laten ontstaan
“Het geestelijke vat van de al-onder-de-hemel kan men niet maken. Wie het maakt bederft het, wie het vasthoudt, verliest het. Daarom doet de heilige niets en bederft zo niets; hij houdt niets vast en zo verliest hij niet.
Tau-Te-Tsjing, vers 29 (p.105)
Immers de dingen: soms zijn ze voor op, soms achterop; soms blazen ze zachtjes, soms hijgen ze heftig; soms maken ze warm, soms koud; soms zijn ze sterk, soms zijn ze zwak; soms beginnen ze, soms vervallen ze.
Daarom vermijdt de heilige te sterke nadruk; hij vermijdt grote inzet”
[Heilige, dat is hij die zich zoveel mogelijk vereenzelvigt met de weg]
Door de dingen te forceren gaat men tegen hun natuurlijke ontwikkeling in en verliest men ze.
Dit niets-doen is geenszins een negatief begrip, het houdt in dat de mens niet door eigenwijze handelingen de natuur der dingen verhindert haar eigen zegenrijke weg te gaan. [achterlap Tau-Te-Tsjing]