aldus Sartre – de morele opdracht die iedereen heeft: het bewaren van de vrijheid, het kiezen van het eigen leven en daar verantwoordelijkheid voor nemen. Want vrijheid is de kern van de mens en tegelijk ook de grootste opdracht die hij te vervullen heeft.
Niemand kan enig excuus aanvoeren om zichzelf van die vrijheid te ontlasten. Niet voor niets merkt Sartre dan ook op dat we tot haar veroordeeld zijn. Want in werkelijkheid is zij een vergiftigd geschenk, dat ons opzadelt met een bijna ondraaglijke verantwoordelijkheid voor de wereld. Die is zo zwaar dat mensen daaraan op allerlei manieren trachten te ontsnappen -sartre-
Een van de manieren om te ontsnappen aan de vrijheid is de verantwoordelijkheid af te schuiven op de omstandigheden, of op een identiteit die we zouden bezitten. ‘Ik ben nu eenmaal zo-en-zo. Ik kan niet anders zijn dan wat ik ben en doen dan wat ik doe’, zeggen we dan. Maar wie zulke smoesjes gebruikt, is volgens Sartre te kwader trouw. Hij wil niet langer een vrij mens zijn, maar doet alsof hij een ding is, dat geen keuze heeft. We beschouwen onszelf dan als biljartballen die volgens strikt natuurkundige wetten over het laken rollen en daarin geen keuze hebben.
Maar wij zijn geen biljartballen, aldus Sartre. Omdat wij – anders dan de dingen – een bewustzijn bezitten, kunnen we altijd op onszelf reflecteren. We plaatsen ons als het ware op afstand van onszelf, en in die afstand huist onze vrijheid. We kunnen ‘nee’ zeggen tegen wat we zijn: niet omdat ik zou kunnen ophouden te zijn wie ik was, maar omdat ik daaraan niet willoos ben overgeleverd. Ik kan van datgene wát ik ben maken wat ik wil: dat is de fundamentele keuzevrijheid die Sartre het ‘levensproject’ noemt.
Aan het feit dat ik als Nederlander geboren ben verander ik niets. Dat betekent niet dat ik er daarom ook toe gedoemd ben van Goudse kaas te houden, zuinig te zijn, prat te gaan op mijn nuchterheid of pal te staan achter de Amerikaanse politiek, hoezeer mijn overheden dat ook zouden wensen. Wat ik van dat Nederlanderschap maak, is een kwestie van vrije keuze, aldus Sartre. Daarmee geef ik vorm aan mijn bestaan en mijn wereld – ook als ik ten slotte toch zou besluiten in nuchterheid te leven. Dán is die nuchterheid míjn in vrijheid genomen keuze geworden, en aanvaard ik daarvoor mijn verantwoordelijkheid. Ik geef daarmee aan dat ik graag in een wereld zou leven waarin nuchterheid een belangrijke waarde was.
Aan een dergelijke keuze ontkom ik nooit, volgens Sartre. Ook wie in kwade trouw leeft, heeft daarvoor gekozen. Hij doet alleen alsof dat geen keuze was, maar een soort noodzakelijkheid. Hij verloochent dus niet alleen de vrijheid waarin hij met de nuchterheid heeft ingestemd, maar verloochent eerst en vooral zichzelf: de vrije mens die hij is en – achter het masker van de dwang waarmee hij zich verexcuseert – blijft. Hij speelt een dubbelspel waarin hij zijn opdracht, zijn wezen én zijn verantwoordelijkheid ontloopt.
Probleemloos was die nieuwe vrijheid niet. Nog afgezien van de vraag of de last die Sartre op ieders schouders legt niet zo zwaar is dat ieder daaraan op den duur moet verzaken óf ten onder gaan, krijgt zijn vrijheidsideaal het moeilijk op het moment waarop er een ander mens verschijnt. Ook die ander heeft immers zijn vrijheid, net als ikzelf. En beide vrijheden zitten elkaar niet alleen gevoelig in de weg. Wanneer ik in het stadspark iemand tegenkom, ben ik in zijn ogen bovendien net zo’n voorwerp als de bank of het standbeeld naast het pad. Nog rampzaliger is mijn lot wanneer ik loerend door een sleutelgat betrapt word in de gang van een hotel. Dan word ik door de ander meedogenloos gereduceerd tot de bedrogen echtgenoot – die ik inderdaad ben. Wat in het park een direct weer vervliegend crisismoment was, wordt nu een doodsstrijd. Hoe de blik te weerstaan van wie mij ziet en denkt te weten wie hij voor zich heeft: een jaloerse echtgenoot? Ik ben toch zoveel méér dan dat. Maar ik weet ook dat mijn vrijheid er in de ogen van de ander niet meer toe doet – en ik kan niet ontkomen aan het besef dat het in diens dwingende oordeel (‘bedrogen echtgenoot’) wel degelijk over mij gaat.
Daar doet de vrijheid niets meer aan, tenzij ik – aldus Sartre – de moed opbreng de blik van de ander te trotseren en mijn waardigheid en zelfbesef op hem herover. Hoe dramatisch dat ook klinken mag, Sartre kan weinig anders doen dan dit ogenduel uitroepen tot de kern van elke menselijke verhouding. Telkens staat daarin de vrijheid van de een óf de ander op het spel. Iedere verhouding is een voortdurende strijd tussen heer en slaaf, schrijft Sartre. Aangrijpend bracht hij die gedachte onder woorden in zijn toneelstuk Huis clos (Achter gesloten deuren), in de gevleugelde zin: ‘De hel, dat zijn de anderen.’