Het Oudgriekse woord thymos, komt al voor bij Homerus. Van de held Achilles wordt gezegd dat hij thymoeidès was, wat wil zeggen: vurig van karakter, temperamentvol, bereid om zijn leven te wagen in een beslissend gevecht, intensiteit verkiezend boven een lang leven, roem boven lijfsbehoud. Bij Homerus is thymos een opwelling van het gemoed, een krachtige energie die langs de ledematen naar boven stroomt en de strijder in de gevechtsmodus brengt. Als de held sneuvelt, verlaat de thymos het lichaam via de mond of een open wonde in de flank. Thymos is dus oorspronkelijk een epische term, maar het is Plato geweest die het begrip een filosofische invulling gaf.

Het Oudgriekse woord thymos, komt al voor bij Homerus. Van de held Achilles wordt gezegd dat hij thymoeidès was, wat wil zeggen: vurig van karakter, temperamentvol, bereid om zijn leven te wagen in een beslissend gevecht, intensiteit verkiezend boven een lang leven, roem boven lijfsbehoud. Bij Homerus is thymos een opwelling van het gemoed, een krachtige energie die langs de ledematen naar boven stroomt en de strijder in de gevechtsmodus brengt. Als de held sneuvelt, verlaat de thymos het lichaam via de mond of een open wonde in de flank. Thymos is dus oorspronkelijk een epische term, maar het is Plato geweest die het begrip een filosofische invulling gaf.
Thymos volgens Plato
Volgens Plato is thymos een van de drie delen van de ziel, naast de soevereine rede en de primaire behoeften. Plato zelf was uitgesproken antihedonistisch: hij wist weliswaar dat wij mensen onderworpen zijn aan allerlei behoeften – we moeten nu eenmaal eten en drinken om te overleven, en als we ons willen voortplanten moeten mannen ook seks hebben met vrouwen –, maar dat alles leidt ons slechts af van waar het werkelijk om gaat, namelijk toegang te vinden tot een hogere realiteit. Onze ziel is geroepen om deel te hebben aan iets goddelijks, maar onze basale behoeften trekken ons steeds weer naar de grond. Thymos is de kracht die ons helpt om die vernederende behoeften te negeren, onszelf te ontstijgen en naar het hogere te reiken. In de dialoog Phaedrus is het bekende beeld te vinden van het gevleugelde paardenspan dat door het hemelruim klieft: (boek 1, p76, beeld van de ziel; p88d, aard van de paarden) het paard van de behoeften trekt ons steeds weer omlaag; het paard van de thymos stuwt ons naar boven, richting onze ware bestemming. Zo is de ziel: geen harmonieus geheel, maar een strijdperk tussen tegengestelde krachten.
In het protest tegen een toestand die als vernederend en onwaardig wordt ervaren, toont zich de thymos van de mens: zijn vermogen om, al was het maar voor even, de eigen kleine verlangens opzij te zetten en zich te engageren voor iets wat hij van groter belang acht. De thymotische mens trotseert zichzelf: hij neemt geen genoegen met een comfortabel leven en waagt zich in de strijd, omdat hij niet anders kan. Thuisblijven is geen optie, want er staat te veel op het spel.
Na Plato is het begrip uit onze morele en politieke woordenschat verdwenen. In Aristoteles’ analyse van de ziel speelde thymos bijvoorbeeld al geen enkele rol meer. Voor de stoïcijnen was woede nooit een positieve aandoening, maar altijd een morele tekortkoming. Zielenrust wordt in de westerse filosofie doorgaans hoger ingeschat dan boosheid.
Pas aan het eind van de twintigste eeuw is thymos weer op de filosofische agenda geplaatst, eerst door Francis Fukuyama in zijn bestseller Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992) en later door Peter Sloterdijk in Woede en tijd (2006). Fukuyama vertaalt thymos op de manier van Hegel als ‘zucht naar erkenning’, maar tegelijk neutraliseert hij de protestlading van het begrip: thymos is bij hem gewoon de deugd van de kapitalistische ondernemer die zich op de vrije markt begeeft en probeert beter te presteren dan zijn concurrenten. Sloterdijk daarentegen vertaalt thymos als ‘woede’ en concentreert zich juist wel op allerlei protestbewegingen, zoals het communisme en de politieke islam.
Thymos – het derde deel van de ziel, de trots, het vurige karakter, het temperament dat van geen comfort en gezelligheid wil weten – zit alleen maar in de weg als we tot een optimale behoeftebevrediging willen komen. Onverzettelijkheid, koppigheid en strijdbaarheid zijn geen kwaliteiten die gewaardeerd worden in onze ‘vloeibare maatschappij’ (met de term van de socioloog Zygmunt Bauman); in plaats daarvan vraagt men van ons dat we ons vlotjes aanpassen aan steeds veranderende situaties, dat we opportunistisch kansen grijpen wanneer die zich voordoen, dat we crises in ons voordeel weten om te buigen.