Mimesis
Aan de term mimesis ‘nabootsing, imitatie’ heeft Girard een nieuwe dimensie gegeven. Traditioneel wordt mimesis vaak min of meer gelijkgesteld met representatie, maar bij hem is het een mechanisme, dat patronen van actie en interactie genereert. Mimesis vormt de persoonlijkheid en is van invloed op geloofsvoorstellingen, attitude, symbolische vormen, culturele praktijken en instituties.
Imitatie van een ander
Centraal is de nauwe band tussen mimesis en le désir ‘begeerte, verlangen’: mensen ontwikkelen hun begeerten doordat zij anderen nabootsen in het zich toe-eigenen van objecten. Zij imiteren elkaar in hun verlangens daarnaar: via de begeerte van een ander zetten ze hun zinnen ergens op. Mimetische begeerte is te onderscheiden van het biologische appétit ‘behoefte, trek, lust’. Zin in seks en behoefte aan voedsel zijn nog geen begeerten: dat worden ze pas door imitatie van een voorbeeld of model. Wij begeren niet spontaan, maar via een ander, die reeds vóór ons bezit of begeert. Binnen de samenlevingsvormen die wij kennen is begeerte niet gegrond in een onafhankelijk begerend subject – ook al denken ‘moderne mensen’ van wel.
Kinderen
Het mimetische gedrag begint in een mensenleven al zeer vroeg. Dat weten we sinds de ontdekking van mirror neurons (hersencellen die niet alleen geactiveerd zijn wanneer een subject een bepaalde beweging uitvoert, maar ook als hij diezelfde beweging bij iemand anders observeert), in het Nederlands ‘spiegelneuronen‘ genoemd. Willen kinderen die met poppen, blokken of autootjes spelen vaak niet juist dat hebben waar de ander net mee bezig is? Soms hebben ze de belangstelling voor stukken van hun eigen speelgoed totaal verloren, maar op het moment dat een vriendje naar een zelden gebruikt stukje Lego grijpt, herleeft de belangstelling ervoor. Zij verschillen daarin niet van de romanfiguur Swann uit de romancyclus (van Marcel Proust) A la recherche du temps perdu, wiens liefde voor Odette gevoed wordt door de belangstelling van een ander voor haar. Mensen hebben de begeerte van een ander nodig om er zeker van te zijn, dat wat ze begeren, ook inderdaad de moeite van het begeren waard is.
Romantische leugen
In Girards gedachtegang ligt mimesis aan de basis van onze cultuur. De ‘romantische leugen’ waar de titel van zijn eerste boek op doelt, is dat wij menen authentiek te zijn. Een illusie, want wat ons drijft, is bemiddeld. Dat kan een bemiddeling van buitenaf zijn (iemand heeft een romanfiguur als model, is fan van een zanger), het kan ook iemand in de directe omgeving betreffen: iemand tegen wie men opziet. Grote literaire werken laten ons deze processen zien, waarmee ze de ‘romaneske waarheid’ onthullen. In de roman van Cervantes leeft Don Quichotte niet vanuit zichzelf, maar vanuit de nabootsing van zijn model: de ridder Amadis de Gaula. Hij kijkt naar zijn omgeving met de blik van deze Amadis en ziet dingen die er voor de mensen in zijn omgeving niet zijn.
Dubbele driehoek
Paolo en Francesca, die Dante in de tweede hellekring van zijn Inferno situeert, lazen in een roman van Chrétien de Troyes over het overspel van ridder Lancelot en koningin Ginevra. Als ze verder lezen, vlamt ook tussen hen de passie op. Sinds de negentiende eeuw ligt de nadruk op de spontaneïteit van hun liefde, waarmee ze menselijke en goddelijke wetten zouden trotseren. Maar als we terugkeren naar het eerste begin van hun liefde, zoals Francesca deze zelf vertelt aan de ik-figuur van het dichtwerk (Canto 5: 121-38), dan lezen we dat de eerste kus van de geliefden die van hun modellen navolgt. Francesca zegt het zelf aan het einde van haar verhaal: “Galeotto was het boek en degene die het schreef bracht ons tot elkaar / die dag lazen wij niet verder.” Door de nadruk die in de romantische traditie op het laatste vers werd gelegd, is het nabootsende karakter van de liefde verdoezeld.
Culturele overdracht
Mimesis heeft niet alleen ontregelende effecten, leidend tot rivaliteit en chaos, maar maakt ook culturele overdracht mogelijk. De mimetische begeerte onderscheidt ons van dieren en stelt ons in staat een eigen identiteit te construeren en dingen te leren die we nodig hebben om middels aanpassing deel te nemen aan onze cultuur. Hoewel ‘slechte’ mimesis in het werk van Girard een prominente plaats inneemt, is er ook ‘goede’ mimesis, zonder welke geen onderwijs, culturele tradities of vreedzame betrekkingen mogelijk zouden zijn. Negen op de tien keer leidt culturele imitatie niet tot rivaliteit. Als ik iemands accent naboots, zijn manier van doen, dezelfde boeken als hij lees, dan zijn dat gedragingen die deelbaar zijn. Er ontstaan spanningen en conflicten wanneer het begeerde ondeelbaar is.
Kerngedachten
De zogenoemde ‘mimetische theorie’ van Girard kent enkele begrippen die als een rode draad door zijn hele werk lopen: mimesis, begeerte, rivaliteit, conflict, crisis, zondebok, religie. Ze vormen ze de bouwstenen voor een cultuurscenario, dat de geschiedenis van mythen, riten, offers en geweld wil begrijpen, in een poging verhalen en gebeurtenissen van de nieuwe tijd te verklaren. De theorie is niet in één discipline te vangen en koppelt bijvoorbeeld analyses van literaire werken aan gegevens uit de antropologie, vergelijkt passages uit de evangeliën met Azteekse mythen en brengt het koningschap in verband met zondebokrituelen. Zie inleidingen.De stichtingsmoord
Een confrontatie tussen twee verhalen over broedermoord (Romulus doodt Remus, Kaïn doodt Abel) laat zien waar het in de mimetische theorie met name om gaat: het aanbrengen van een optiek in verhalen en gebeurtenissen die de rol van rivaliteit en geweld doet uitkomen en waarin recht wordt gedaan aan slachtoffers.
(1) Toen Romulus en Remus opgegroeid waren, besloten zij een stad te stichten, het latere Rome. Raadpleging van vogeltekens wees Romulus aan als naamgever van de nieuwe stichting. De teleurgestelde Remus, zo gaat een van de versies van het verhaal, hoonde de lage muren ervan door eroverheen te springen. Romulus werd kwaad en in de twist die daarop volgde, doodde hij Remus. Hij werd de eerste koning van Rome.
(2) Kaïn en zijn broer Abel brengen God een offer. In het bijbelverhaal offert Kaïn de vruchten van de grond, Abel de eerstgeborene van zijn beste schapen. God ziet genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en diens offer slaat hij geen acht. Kaïn wordt woedend en slaat zijn broer Abel dood. Toen vroeg de Heer: waar is uw broer Abel? En hij zei: Ik weet het niet, ben ik mijns broeders hoeder? En Hij zei: “Wat hebt gij gedaan? Er is eene stem van het bloed uws broeders, dat tot Mij roept van den aardbodem.” (Genesis 4: 10, tekst Statenvertaling, NBV)
Wisseling van perspectief
In het Romeinse verhaal wordt de moord van Romulus voorgesteld als een daad die misschien te betreuren valt, maar gerechtvaardigd wordt door de overtreding van het slachtoffer. Remus heeft de ‘grens’ van de stad niet gerespecteerd. Kaïn wordt in het joodse verhaal heel anders voorgesteld: hij is in deze tekst een ordinaire moordenaar. Al brengt ook in de bijbel deze eerste moord de culturele ontwikkeling van de mensheid op gang, de moordenaar is niet van schuld ontheven. Vergelijking van deze verhalen laat een wisseling van perspectief zien die van eminent belang is, maar waar men gewoonlijk slechts weinig oog voor heeft (zie bijvoorbeeld in encyclopedieën bij ‘broedermoord’).
Offerritueel
Waarom wordt er in tal van culturen geofferd en is het offer in onze samenleving als metafoor zo krachtig aanwezig? Girards interpretatie van het offer raakt de kern van zijn hypothese over het ontstaan van menselijke cultuur. Een belangrijke functie van het offer is rust in de gemeenschap te brengen; veel riten eindigen ermee, nadat ze eerst de gemoederen hebben opgezweept. Offers zijn in oorsprong mensenoffers en gaan terug op een gemeenschappelijk bedreven moord (ook nu nog zijn er lynchpartijen), gepleegd door een massa die daarmee een uitweg zocht voor de mimetische crisis waarin ze zich bevond.
Mythe
Menselijke culturen dragen het bewustzijn van mimesis en rivaliteit, die in de loop der geschiedenis tot conflicten en gewelddadige praktijken hebben geleid, met zich mee. Hun mythen zijn niet zo maar te beschouwen als verzinsels, maar als teksten die gemodelleerd zijn naar het geloof van de vervolgers en moordenaars in de schuld van hun slachtoffer, inclusief het geloof in diens goddelijkheid. In mythen is de optiek vervat van de gemeenschap die door de collectieve moord verzoend werd en er unaniem van overtuigd is dat het ging om een geheiligde daad. Mythen camoufleren een oorspronkelijke doodslag. De stap van de verhullende lezing van mythen naar de onthullende lezing ervan is volgens Girard een belangrijke stap in de intellectuele geschiedenis.
Voorbeeld
In een mythe van de Ojibwa indianen, zoals opgetekend door Lévi-Strauss, is sprake van een bovennatuurlijk wezen met een buitengewoon krachtige blik in de ogen, dat bij zijn bezoek aan de mensen met die blik in één klap iemand doodde. Daarop werd hij gedwongen terug te keren naar de diepten der zee. Aan dergelijke verhalen ligt reëel geweld ten grondslag, schrijftGirard: het slachtoffer uit dit verhaal wordt verdronken. Volgens hem is hier geen sprake van alleen culturele of representatieve betekenis (zoals wel gesteld is). De menselijke cultuur is in zijn oorsprong niet schuldeloos.
> Over de ontwikkeling van Girards theorie in de afgelopen veertig jaar: Chris Fleming, (in de serie Key Contemporary Thinkers) René Girard. Violence and mimesis(Cambridge: Polity Press, 2004).