In het boekje van Joachim Duyndam “De liefde van Alcestis” leert me dat geestelijke weerbaarheid nodig is tegen de wil die vanuit mimetische begeerte komt. Het boekje geeft een inzicht op mimesis maar roept vragen op; een deel daarvan komt voort uit mijn onbekendheid van de begrippen hermeneutiek en narratief.
Hermeneutiek is het uitleggen en interpreteren van teksten:
Interpretatie van levensbeschouwelijke teksten is iets dat voor velen vloeken in de kerk is. De bijbel, de koran, etc. worden nog vaak letterlijk opgevat. De notie dat teksten te vertalen of te interpreteren zijn afhankelijk van de context is in relatie tot levensbeschouwing bijzonder te noemen.
Voor het humanisme is de hermeneutiek van groot belang. Humanisten moeten zelf uitzoeken welke waarden voor hen belangrijk zijn. Zij maken daarbij gebruik van vele uiteenlopende bronnen. Ze moeten zich daartoe op een bepaalde manier verhouden, want alleen kopiëren (mimese) is niet voldoende, de waarden moeten op een eigen manier in het leven worden geïntegreerd. Daar komt narrativiteit om de hoek.
De term narrativiteit is afkomstig uit de narratologie, de theorie van vertellen en verhalen. Het handwoordenboek van Koenen kent aan het werkwoord ‘verhalen’ verschillende betekenissen toe: vertellen, mededelen, terughalen en herstellen (op verhaal komen). Een oorspronkelijke betekenis van ‘verhalen’ is het dichterbij halen van wat ver weg was. Mijn verhaal van ver bij mij terughalen betekent dat ik mijn verhaal kan vertellen. Hierbij wordt de greep op het verloren verhaal herwonnen. Ik kom op verhaal en mijn geschiedenis wordt verhaald (Olthof en Vermetten 1994, p. 103).
Een verhaal heeft vele functies. Bij een verhaal zijn altijd een verteller en een ander, de luisteraar of het publiek, betrokken. Vanuit de verteller heeft een verhaal de functie van informatieoverdracht en vanuit de luisteraar is het verhaal een hulpmiddel om wat buiten hem of haar staat zich min of meer toe te eigenen (idem). De wisselwerking tussen de verteller en de luisteraar maakt verhalen vertellen een uiterst dynamisch en interactief fenomeen. Het is de dialoog die betekenisgeving, de derde functie van verhalen, mogelijk maakt (Hermans en Hermans 1995, p. 9).
Wanneer een gebeurtenis ons onbegrijpelijk voorkomt, proberen we er een verhaal van te maken, zodat het onbegrepene herkenbaar wordt (Olthof en Vermetten 1994, p. 104). Dit doen we doorlopend, alleen staan we er vaak niet bij stil, omdat de waarneming past bij onze verwachtingen. Wanneer we bijvoorbeeld een moeder met een kind of een verliefd stelletje zien lopen, beseffen we niet dat we er een verhaal bij bedenken, deze scènes passen in onze ervaringswereld. Heel anders is het wanneer we bijvoorbeeld bij slecht, regenachtig weer iemand vrolijk fluitend door de straat zien lopen. Omdat we voor deze waarneming niet direct een passend verhaal hebben, worden we ons bewust van het zoeken naar een verhaal dat de waarneming verklaart. Het construeren van verhalen is dus een zeer gangbare vorm van interpreteren. We interpreteren de wereld en maken haar voor ons toegankelijk door middel van verhalen. Door in het verhaal waarnemingen te ordenen en samenhang te creëren, geven mensen zin aan de wereld om zich heen (Crossley 2000, p. 10).
Hermeneutiek en narrativiteit hebben allebei dus te maken met een vertaalslag naar de eigen context. Hermeneutiek zou je kunnen zien als de externe vertaling en narrativiteit als de interne vertaling, de eerste van teksten buiten ons die naar het eigen leven worden vertaald en de narrativiteit als ons eigen levensverhaal dat altijd in beweging is en wordt gevoed door externe bronnen en gebeurtenissen.